Hoofdstuk 1
Introductie
INHOUD

1
Introductie
De Oermoeder
De Verre God
De Heilsbrenger
Het Visioen
De Tweevoudige Oorsprong

2
Geboorte

3
Groei

4
Bloei

5
Verval

6
Opleving

7
Herstel

8
Epiloog

 

Voorwoord

Dit boek schreef ik in 1999. Ik was toen in eerste instantie geinspireerd door Karlfried Graf DŁrckheim. Hij benadrukte "de tweevoudige Oorsprong" - Hemel en aarde - van de mens. In tegenstelling tot bijvoorbeeld het Boeddhisme en Vedanta, die hoofdzakelijk de "Hemel" benadrukten, vond ik - o.a. tegen het licht van het ecologische crisis - die eenzijdigheid niet houdbaar. Spiritualiteit MOET beide omvatten, wil het in deze tijd relevantie hebben. Het kwam niet in de laatste plaats overeen met mijn eigen vroeg-kinderlijke ervaringen, met de natuur als mijn "ware thuis". De derde "poot" - het geworteld-zijn in de gemeenschap - is in dit boek niet expliciet benadrukt. Daarvoor waren er twee redenenen. Door het wel erbij te betrekken, zou het boek zeker twee keer zo dik geworden zijn, met het gevaar dat de kracht van het onderliggende principe zou verwateren. Het tweede argument was, dat "eenheid met Hemel en aarde" automatisch integratie in de gemeenschap betekent. De eerste transformeert spontaan het tweede. Omgekeerd: als de gemeenschap dit principe niet huldigt, kan het persoonlijke leven niet tot zijn recht komen. Wat ik in 1999 nog niet volledig onderzocht had, was het archetype van de "Groene Man" en de "Wijze Vrouw". Beide zijn HET voorbeeld van de mens "geworteld in Hemel en aarde".  Zij bestaan vanaf het tijdstip dat de mens zich van zijn rol in het kosmisch gebeuren bewust werd. Snel werd dit gegeven tot een van de pijlers van mijn werk. Ik heb er op verschillende plaatsten uitvoerig over geschreven. Daarom was het niet nodig om dit boek te gaan aanvullen cq herschrijven.  De kracht van dit boek is zijn spiritueel, historisch, mythologisch, ethnologische benadering. Het heeft nog niets aan relevantie ingeboet.

De Oermoeder

1. Wat we doorgaans niet realiseren is, dat de mensheid in het grootste deel van zijn bestaan - tienduizenden, zoniet honderdduizenden van jaren - de Kosmos als een Baarmoeder beleefde. Het ervoer daardoor een absolute geborgenheid, te vergelijken met de oceanische beleving van de foetus in de baarmoeder van de biologische moeder. Het verbaast daarom niet, dat het Uiteindelijke ook "Grote Moeder" werd genoemd. Zij is het "Vat van Regeneratie", de bodemloze Diepte, waaruit alles geboren wordt en waarin alles terugkeert. Daarbij geeft Zij "eerst" geboorte aan Haar Lichtlichaam (God, Hemel, Boeddhanatuur) en vervolgens Haar MateriŽle Lichaam (universum, zichtbare wereld). Later werd dit "Wet van het Universum" genoemd: het dynamische evenwicht van "sterven, bestendigheid en wedergeboorte", zoals dat nu nog in het Hindoeisme bestaat.* Het verklaart het samenstel aan kosmische krachten. Alles - wij, de natuur, het heelal, ja zelfs beschavingen - sterft immers voortdurend, terwijl het steeds opnieuw vernieuwd wordt. Op de vernieuwingen volgen doorgaans fasen die een (relatieve) bestendigheid vertonen. Deze komen overeen met de hoofdstukken in dit boek. Vroeger werd dit Moeder's "levensweb" genoemd: de cyclische fasen van het bestaan. In dit web hangt alles met elkaar samen. Het fysieke bestaan is ingebed in het grotere Geheel. Het is onderhevig aan onnoembaar veel krachten: kosmische, natuurlijke, biologische, psychologische en atomare. Dit leidde later tot speculaties over "wilsvrijheid" en "voorbeschikt-zijn". Om in de laatste decennia weer op te duiken in theorieŽn over "karma". In de werkelijkheid is het web onderhevig aan wat de quantumfysici "waarschijnlijkheid" noemen. Gebeurtenissen liggen niet vast, maar vertonen een "voorspelbare tendens", een (grote) kans dat iets zich in een bepaalde richting ontwikkeld. Toekomstvoorspellers, astrologen en tarotuitleggers haken hier op in. Dit inzicht heeft tevens zijn gevolgen voor de spiritualiteit. De individualistische fase - waarin het uitsluitend om het "heil van het ik" gaat, iets wat ooit door het Christendom is geinitieerd - zou hierdoor zijn langste tijd gehad kunnen hebben. "Leven in vrede en harmonie" kan immers niet los gezien worden van de context waarin we leven. Met Zelfrealisatie ben je er dus nog niet. Ben je herboren - je Ware Zelf geworden - dan moet je je nog "opnieuw invoegen in het Geheel". Je "verworvenheid" delen met iedereen en alles om je heen door opnieuw deel te worden van "Hemel, aarde en de (nieuwe) gemeenschap". Pas dan kan je leven vruchtbaar worden. In dit boek wordt de ontwikkelingsgang van Moeder's levensweb - "Hemel en aarde" - beschreven, zoals deze in de verschillende culturen en religies heeft plaatsgevonden. Het is een onderdeel van De Oorspronkelijke Traditie.   

* Alleen is daar de Moeder vervangen door de drie goden Shiva, Brahma en Vishnu.

De Verre God

2. Behalve bij herdersvolken en de latere monotheÔstische godsdiensten hebben de oude scheppingsmythen van de mensheid met elkaar gemeen, dat het Opperwezen, na de scheppingsdaad, zich in de Hemel terugtrekt. Zijn plaats wordt vervolgens ingenomen door andere voor het dagelijks leven meer relevante goddelijke figuren zoals vegetatiegoden, vruchtbaarheidsgodinnen, weersgoden, de Grote Godin terwijl pas in latere perioden een uitgesproken mannelijke „heilsbrenger" op het toneel verschijnt. Zij symboliseren de toenemende interesse voor dingen „die dichter bij huis" zijn, als de vruchtbaarheid, de orgiastische religieuze ervaringen en de akkerbouw. Het lijkt tevens te corresponderen met de tijd waarin wij nog onbewust waren ten aanzien van de geslachtelijke rol van de man. In de vroegste tijden legden wij het verband tussen sex en de procreatie nog niet. Terwijl de vruchtbaarheid via de vrouw en de aarde liep, had de man zijn rol en dus zijn „identiteit" nog niet gevonden. Terwijl de vrouw heel gemakklijk met de „aarde" geidentificeerd kon worden, duurde het even voordat de man zich met „de hemel" als zijn „thuis" vereenzelvigd had. Omgekeerd had de hemel nog geen functie in de cultuur, de religie en het dagelijks leven... omdat de man zijn functie nog niet gevonden had. Beiden - man en hemel - stonden lange tijd „buiten het leven". Zo heeft bij de Australische Kulin het Opperwezen Bundjil het heelal, de bomen, de dieren en de mens zelf geschapen. Vervolgens trok Hij zich echter terug uit de wereld, na zijn dochter de macht over de hemel en zijn zoon die over de aarde geschonken te hebben. Bij de Selk’nam, het inheemse volk op Vuurland, is „Hij die in de hemel is" eeuwig en alwetend. Hij liet de schepping van de wereld over aan de mythische voorvaderen (die Hijzelf eerst had geschapen), waarna de eerste zich boven de sterren terugtrok. Hij leeft daar afgezonderd en onverschillig ten opzichte van de mensen. Ook bij vele Afrikaanse volken speelt de Hemelgod maar een onbeduidende rol. De „godsverwijdering" is in vele mythen terug te vinden. Er is dan meestal ook geen eredienst. Slechts in uiterste nood wordt Hij aangeroepen.

De Heilsbrenger

3. De zich terugtrekkende Hemelgod stuurt echter vaak een gezondene, die Zijn „zaken" op aarde waarneemt of representeert. In vele mythen van verschillende culturen vind je dit motief terug. Bij de Nijl-stammen is hij de bode van de Hemelgod en de stichter en organisator van de stam. Op vele plaatsen in de Soedan wordt hij als de oervader van de stam gezien. De Zoeloe’s kennen hun Oenkoeloenkoeloe, hetgeen „grote" of „oude" betekent, die in naam van de Opperste God de wereld schiep en de mensen hun wetten en instellingen gaf. Mozes is zo’n figuur. De mesopotamische heerser/koning werd als „zoon van de Goden" gezien. Bašl is de god van de vruchtbaarheid, de vertegenwoordiger van El, de Hemelgod van de Kanaaiiten. De pharao’s, de Chinese en Japanse keizers en ontelbare anderen, zij passen allen in deze rij. Zij allen waren van „tweevoudige oorsprong": een goddelijke en een aardse. Dit maakte hem tot de middelaar tussen de Goden en de mensen. De koning was de „gezondene", door God gestuurd om gerechtigheid en vrede op aarde te brengen. Hij boette zelfs voor de „zonden" van zijn onderdanen, soms met zijn leven. Hij vertegenwoordigde de Godheid, maar was overigens zelf geen god. In feite wemelt elke traditie van ontelbare figuren - mythologisch of concreet - die het „middelaarschap" hetzij ontvingen, hetzij voor zich opeisten. Voor ons de meest bekende persoon, die zelf nooit gezegd heeft God te zijn, is natuurlijk Jezus van Nazareth, hij die „door de Vader gezonden werd".

4. Een ieder die bewust wordt en zo open, dat hij of zij samenvalt met de Oorsprong, al diegenen die hun Ware Afkomst kennen, weten dat zij gezonden zijn. Veelal vermoeden deze mensen al van jongs af aan, dat zij voor die taak in de wieg zijn gelegd. Vrijwel hun gehele leven staat dan ook in het teken van de „voorbereiding". Het is zo’n zeker weten, dat terwille van de (latere) opdracht vele ontberingen op de koop toe worden genomen. Zij zijn in het algemeen zeer sensitief, met een groot Hart voor al-wat-leeft naast een uitzonderlijk doorzettingsvermogen. In de „incubatietijd" worden deze leiders vaak door zeer weinigen of zelfs niemand opgemerkt. Vervolgens voelt zo’n persoon, wanneer „zijn tijd gekomen is" en zal vervolgens zijn „ware Gezicht" laten zien, hetgeen dan het begin is van zijn of haar openbare leven. Er lopen momenteel velen rond die aangesproken zijn en het zal moeten blijken hoevelen van hen zijn „uitverkoren".

Het Visioen

5. Ongeveer twintig jaar geleden, tijdens een korte rust merkte ik op, dat er plotseling iets bijzonders was, er was een bepaalde „geladenheid" om mij heen. Deze geladenheid maakte dat ik heel helder werd, een opgetild gevoel van er-zijn en toch heel ontspannen. Plotseling met mijn ogen wijd open zag ik vervolgens op het (witte) muurtje nauwelijks twee meter voor mij iets bijzonders. Eerst kon ik niet zien wat het was, direct daarop ontwaarde zich aan mijn blik lichtpuntjes, die langzaam in intensiteit toenamen. De lichtpuntjes waren goudkleurig en symmetrisch, zij vulden zich kort daarna met kleine rode puntjes. Het bleken bloemetjes te zijn, verbonden door strakke groene steeltjes. Ze hadden een uitstraling om zich heen, die langzamerhand sterker werd. Ik herkende het op een gegeven moment: het was St. Janskruid. Alles was vanaf het begin aan een voortdurende langzame verandering onderhevig. De takjes werden nu steeds meer in goud omgetoverd, de bloemetjes veranderden in gele vlammetjes met rode hartjes. De aanvankelijk rechte takken waren nu gebogen met de opening naar boven. De uitstraling was sterk in intensiteit toegenomen en toen zag ik het: alles was getransformeerd in een Levensboom of kandelaar. De paradox was, dat ik er zowel totaal door geabsorbeerd was, alsook alles tegelijkertijd volmaakt helder op een afstandje gadesloeg. Het hele gebeuren had een tijdeloos karakter, alles was ingebed in een bovennatuurlijk Licht. De fascinatie nam met het moment toe. De takken van de Levensboom groeiden nu naar elkaar, dusdanig, dat de ruimte ertussen geheel met goud werd opgevuld. Het werd een massief geheel met een opening aan de bovenkant. Ik herkende het als een gouden beker, een beker met een niet te beschrijven lichtstraling. Toen begon de beker langzamerhand naar rechts over te hellen. Ik wist „intuitief" dat het meest bijzondere moment was aangebroken. En ja, kort daarop gebeurde het: rode vloeistof kwam uit het onzichtbaar binnenste van de kelk en drupte over de rand naar beneden. Meer druppels kwamen, nog meer tot het een klein stroompje werd, steeds nam het toe tot er op een gegeven moment een waterval van...bloed uitkwam. Toen dat volledig tot mij doordrong, kwam er een ongelooflijke ontroering en dankbaarheid in mij op. Tranen liepen langs mijn wangen.

6. Na al deze jaren, waarin ik of geheel niet naar betekenissen zocht ofwel tevreden was met een voorlopige verklaring, heeft het Onzichtbare mij nu de volle betekenis „medegedeeld". Het Visioen is de gids voor deze kritieke tijd. Via mij richt het zich tot al diegenen „die oren hebben om te horen". Het houdt „de mensheid" voor alles te doen om de overstap te maken uit de onwetendheid naar bewust-zijn. Het St. Janskruid symboliseert het licht dat tegelijkertijd in de aarde is geworteld. Zo kan ook jouw bewustwording gaan: via het tweevoudig geworteld-zijn in „Hemel en in aarde". Hoe steviger je daarbij met de aarde verbonden bent, des te opener zul je zijn voor de Hemel, het Grote Bewustzijn. Beide, „Hemel" en aarde, zullen samenkomen en overlopen in je Hart, het centrum van betrokkenheid met de wereld. In die wereld zul je je innerlijke „verworvenheden" vorm moeten geven om ze vruchtbaar te laten zijn. Dit wordt door de Levensboom weergegeven. Verwerkelijking, innerlijkheid dient de overstap naar praktisch handelen te maken, zegt het Visioen. Het spoort je aan je leven overeenkomstig je nieuwe Zelf te transformeren. Een vernieuwde leefstijl is de uitkomst van en het criterium voor werkelijke bewustwording. Vervolgens moeten we samen de samenleving een nieuwe structuur geven. „Aan de vruchten herkent men de boom". Tenslotte de Kelk, mij al eerder geduid als de Graalsbeker. In de Graalsbeker is het Mysterie van het Leven, de allerhoogste Vervolmaking gesymboliseerd. Het is de rode draad van Zelfverwerkelijking sinds de legende in de elfde eeuw in het Westen opdook. Welk een wonder, dat het juist nu weer verschijnt...Op indrukwekkende wijze laat het Onzichtbare zien, dat - op basis van bewustwording, een nieuwe leefstijl en vernieuwing van de samenleving - uiteindelijk alleen een vol-ledige uitstorting, een leven in dienst van de Liefde het Ware Leven is. Of zoals ik eerder ergens las: Het Grote Leven is het rusten in het Ware Zelf, het verlicht handelen in de wereld en het liefhebben van al-wat-is (als jezelf). Het Visioen is een dringende oproep hiertoe .

De Tweevoudige Oorsprong

7. Het weten omtrent de mens in eenheid met „hemel en aarde" is zo oud als de mensheid zelf. Was in het allereerste begin dit besef voorbewust - men leefde simpelweg in eenheid met „hemel en aarde" dus bestond daar geen aparte „notie" van - later bij de ontwikkeling van het „ik" en dus ook het verschilbewustzijn „ik en mijn omgeving", begon dit besef te dagen. De mens „tussen" of „in eenheid met" „hemel en aarde" is een existentiŽel gegeven. Zelf bij de meest „primitieve" uitleg ervan bevindt al-wat-leeft zich tussen enerzijds het hemelgewelf en de anderzijds de aardbodem. Niets op aarde kan zich daaraan onttrekken, geen rots, geen rivier, geen plant, dier of mens. Hoe je het ook wendt of keert, het „tweevoudig geworteld-zijn in hemel en aarde" is een feit. Alleen de beleving verschilt, al naar bewustzijnsniveau en de religieuze en culturele interpretatie. „Mens en samenleving geworteld in hemel en aarde" is de gemeenschappelijke noemer van een enorme variatie, de eenheid in een ongelooflijke verscheidenheid. Het fundamentele verschil met religie is opvallend. Terwijl „hemel en aarde" voortkomt uit empirische ervaring en Realisatie, is religie - althans zoals wij deze kennen - voor de meeste mensen een kwestie van geloof. In plaats van een dwingende feitelijkheid - aan de werkelijkheid van een boom kun je (zonder je hoofd te stoten) niet voorbij - kun je vrijelijk besluiten religieuze leerstellingen al of niet te accepteren. Religie is een belief-systeem, de werkelijkheid echter existentiŽel. Daarom is „het tweevoudig geworteld-zijn in hemel en aarde" dan ook geen religie. Ik noem het een traditie: De Oorspronkelijke Traditie.

8. Het unieke van De Oorspronkelijke Traditie is dat zij stoelt op existentiŽle ervaring. Zij kan worden herkend door alle mensen van alle tijden, uit alle culturen, door leden van alle religies waar ook ter wereld. Het is de gemeenschappelijke noemer zonder dat er aan de verscheidenheid afbreuk gedaan wordt, integendeel. Het gegeven van „hemel en aarde" is zo fundamenteel, dat het ruimte geeft aan welke religieuze, culturele of individuele interpretatie of beleving dan ook. Een ieder kan zich erin vinden, omdat het „slechts" een kader is, dat iedereen voor zichzelf verder kan invullen. Het is de nieuwe universaliteit, datgene waar tegenwoordig zo wanhopig naar gezocht wordt. Plotseling hebben de Christen, de Hindoe, de Inheemse, de humanist en de postmoderne een gemeenschappelijke basis, zonder dat zij daar een „geloofsbelijdenis" voor af hoeven te leggen. „Geworteld-zijn in hemel en aarde" is een gegevenheid, die door een ieder die zijn of haar ogen open heeft, kan worden waargenomen. Het geeft herkenning en dus solidariteit over alle scheidslijnen heen. En omdat niet alleen de mensheid, maar ook het gras, de wolken, de bomen en de dieren er deel van zijn, is er plotseling een besef van gemeenschap met al het levende. Al-wat-leeft, zonder uitzondering, bevindt zich „tussen hemel en aarde", al-wat-leeft heeft gemeenschappelijke wortels. Het is zo simpel, dat ik mij afvraag waarom dit hedentendage nog „uitgevonden" moest worden. Zo ontroerend echter ook, dat ikzelf soms niet goed weet wat ik ermee aanmoet. Om deze Waarheid te mogen delen met anderen, juist in deze tijd waar het er zo op aankomt - immers vervreemding juist van de werkelijkheid is misschien wel het kenmerk van de huidige tijd - geeft mij een diep gevoel van dankbaarheid. Naast dat ik de aanzetten voor De Oorspronkelijke Traditie reeds in eerdere werken opgetekend heb, zal ik in dit boek proberen de ontwikkelingsweg van de Traditie in kaart te brengen. Dat het een opwindende reis wordt, staat wel vast. Wat jij en ik erin tegenkomen, zullen we in de komende hoofdstukken zien.

zie ik voer je mee naar ons aller wortels
de oorsprong die nooit verloren ging
uit het duisterdiepe der herinnering
staat mij alles opnieuw helder voor ogen

heel de aarde is het „uitverkoren volk"
de diep weggekropen worm is onze broeder
evenals de buizerd zijn cirkels makend in de lucht
en de rimpelloze oppervlakte van het meer

alles wat ons mensen zo vooraf ging
bacterien, eencelligen, planten en de dieren
alles is voor eeuwig in mijn Hart gesloten
het is een feest dat nooit ten einde gaat

HOME

© 1999 Copyright by Han Marie Stiekema
Last update: 11/21/12